all works

3 works in Donemus catalogue

popular works

Improvisationen über eine Original-Melodie zu Radierungen von Rembrandt : welche zu dieser Musik durch ein Sciopticon auf eine grosse Leinwand projectiert werden / von Willem Mengelberg

Genre: Orchestra
Subgenre: Orchestra
Instruments: 3343 4441 timp 2perc 2hp str

Feierliche Messe : for soli, choir, orchestra and organ / Willem Mengelberg

Genre: Vocal music
Subgenre: Mixed choir and orchestra
Instruments: GK4 3fl ob 2cl bsn 2h 2trp 2trb-t timp perc pf org str

Songs / Willem Mengelberg

Genre: Vocal music
Subgenre: Voice and piano
Instruments: zang pf

latest edition

Songs / Willem Mengelberg

Genre: Vocal music
Subgenre: Voice and piano
Instruments: zang pf

 

composer

Mengelberg, Willem

Nationality: Netherlands
Date of birth: 1871-03-28
Date of death: 1951-03-22
Website: Website

1871

Willem (Joseph Wilhelm) Mengelberg wordt op 28 maart geboren in Utrecht uit Duitse ouders. Zijn vader, die in Keulen opgroeit, is als beeldhouwer/kunstschilder/architect, gespecialiseerd in kerkelijke kunst. Opdrachten van het aartsbisdom Utrecht doen hem naar Nederland verhuizen. Zijn moeder, Wilhelmine Anna Helena Schrattenholz, komt uit een muzikaal gezin.

1880 - 1892

Als jongen krijgt Willem Mengelberg piano- en compositielessen van de invloedrijke musicus en jurist Jonkheer mr. Johan van Riemsdijk. Op diens advies bezoekt hij de muziekschool van Toonkunst in Utrecht waar hij leerling wordt van M.W. Petri (solfège en piano) en van Richard Hol en Anton Averkamp (muziektheorie). Vanaf 1888 studeert Mengelberg vier jaar aan het conservatorium van Keulen bij onder anderen Franz Wüllner, die zelf ooit had gestudeerd bij een secretaris/vriend van Ludwig van Beethoven.

1892 - 1895

Na zijn opleiding solliciteert Willem Mengelberg op aanraden van zijn leraar Franz Wüllner naar de positie van 'städtischer Musiklehrer und Musikdirektor' in Luzern. Zijn tijdelijke aanstelling wordt verlengd tot 1897. Verschillende plaatselijke muziekverenigingen komen door zijn bemiddeling tot samenwerking. Ook treedt hij bij gelegenheid op als pianist en componeert hij een aantal vocale werken. Om beter te kunnen functioneren als dirigent neemt hij bij orkestleden les op diverse instrumenten.

1895 - 1897

Mengelberg wordt dirigent van het zeven jaar eerder opgerichte Concertgebouworkest, als opvolger van Willem Kes. Deze benoeming in Amsterdam is eervol, vooral omdat hij zonder sollicitatie is uitgenodigd. De pers geeft Mengelbergs eerste optredens het voordeel van de twijfel, of reageert positief. Over zijn interpretaties ontstaat echter al spoedig discussie. Mengelbergs sterke vertragingen in Robert Schumanns 'Vierde Symfonie' worden door Hugo Nolthenius verdedigd, maar Daniël de Lange spreekt over vreemde en willekeurige "tempowringingen". Mengelbergs uitvoeringen van Pjotr Iljitsj Tsjaikovsky's 'Zesde Symfonie' (de 'Pathétique') en zijn enthousiasme voor de muziek van Beethoven, Strauss en, later, Gutav Mahler overtuigen een groot publiek - en bevriende componisten zoals Edvard Grieg. Ondertussen wordt de programmering van het Concertgebouworkest door Mengelberg aanzienlijk verrijkt, met eigentijdse componisten waaronder Paul Dukas, Vincent d'Indy, Edward Elgar en de Nederlander Jan van Gilse. Bij zijn ontslagaanvraag in Luzern vermeldt Mengelberg zijn ongenoegen over enkele kritische commentaren in de plaatselijke pers.

1897 - 1899

Willem Mengelberg wordt dirigent van de Maatschappij Caecilia en van de Diligentia-concerten in Den Haag. In 1898 benoemt de Amsterdamse afdeling van Toonkunst hem bovendien tot dirigent van het gelijknamige koor. In juni van dat jaar treden het Concertgebouworkest en Mengelberg op uitnodiging van Edvard Grieg op tijdens het eerste grote Noorse Muziekfeest in Bergen (Noorwegen). De concerten zijn een groot succes. Grieg spreekt over een "herrliches Orchester", maar ook over "Grössenwahn" van de dirigent die hij als kunstenaar niettemin hogelijk waardeert. Binnen het orkest ontstaat toenemende kritiek op Mengelberg: hij zou te autoritair zijn en inefficiënt werken. Voor de inhuldiging van koningin Wilhelmina op 8 september in Amsterdam is Mengelberg uitgenodigd een speciaal samengesteld koor van beroepszangers te leiden. Hij componeert voor deze gelegenheid een 'Preludium' dat de statige gang van de vorstelijke personen naar hun zitplaatsen in de Nieuwe Kerk begeleidt. Daarna zingt het koor enkele coupletten van het 'Wilhelmus' in een zetting van Mengelberg. Op 8 april 1899 dirigeert Mengelberg voor het eerst Johann Sebastian Bachs 'Matthäus Passion': het begin van een jaarlijkse traditie. Over de interpretatie - de omvang van koor en orkest, de tempi, de weglatingen - laaien de discussies hoog op.

1902 - 1914

In Krefeld hoort Mengelberg de eerste uitvoering van Gustav Mahlers 'Derde Symfonie' onder leiding van de componist. Mengelberg is onder de indruk en nodigt Mahler uit diens (toen nog niet algemeen gewaardeerde) werk in Amsterdam te komen dirigeren. Inderdaad dirigeert Mahler in oktober 1903 het Concertgebouworkest met zijn 'Eerste' en 'Derde Symfonie'. De zaal is maar matig gevuld, maar Mengelberg prijst Mahler nadrukkelijk als een groot genie ("de Beethoven van deze tijd"). In hetzelfde jaar wordt in Den Haag het Residentieorkest opgericht. Mede door de groeiende interne spanningen binnen het Concertgebouworkest is Den Haag meteen een forse concurrent: heel wat musici stappen uit onvrede met Mengelbergs leiding naar het Residentieorkest over. Ook na het conflict tussen Mengelberg en de administrateur Willem Hutschenruyter, dat eindigt met het ontslag van de laatste in 1904, blijft het onrustig. Orkestleden komen en gaan en het bestuur moet herhaaldelijk tussenbeide komen. Tijdens 'Nederlandsche Muziekfeesten' in 1902 en 1912 dirigeert Mengelberg werken van bekende en minder bekende Nederlandse componisten. Ook in het buitenland is hij actief. In 1905 vervult Mengelberg een zeer succesvolle gastdirectie bij de New York Philharmonic Society, in 1907 is hij gastdirigent in Duitsland en Frankrijk en in 1909 in Rusland. Van 1909 tot 1920 geeft hij leiding aan de Cäcilien Verein in Frankfurt am Main. Door de buitenlandse activiteiten is hij minder in Amsterdam dan gewenst is: pers en publiek, en tot op zekere hoogte ook het orkestbestuur, bekritiseren zijn internationale ambities. In 1908 en 1909 benoemt men achtereenvolgens Cornelis Dopper en Evert Cornelis als tweede dirigenten. Met de laatste ontstaan na enige tijd nieuwe wrijvingen.

1914 - 1919

Door de Eerste Wereldoorlog blijven Mengelbergs activiteiten grotendeels beperkt tot Nederlandse bodem. Hij ziet af van reizen naar Engeland, concerten in Rusland worden door het gastland geannuleerd en uitnodigingen uit Italië slaat hij af. Alleen in Frankfurt treedt hij nog regelmatig op, en incidenteel in Wenen. In het roerige jaar 1918, als ook het conflict met muziekcriticus/componist Matthijs Vermeulen hoog oploopt, heft het bestuur de functie van tweede dirigent op. Volgens zijn biograaf Frits Zwart tekent zich in deze periode al de pro-Duitse gezindheid af die later fataal voor zijn carrière zal blijken. Het bestuur van het Concertgebouworkest weerhoudt hem van een uitvoering van Richard Wagners 'Kaisermarsch'. De cartoonist Tjerk Bottema portretteert Mengelberg in 1919 als "de eenige Duitsche vorst die zijn kroon behoudt".

1919 - 1920

Mengelbergs aanhoudende inspanningen om de muziek van Gustav Mahler onder de aandacht te brengen culmineren bij de viering van zijn 25-jarig jubileum als Concertgebouworkest-dirigent. Het is het eerste grote internationale muziekfestival na de wereldoorlog. De feestelijkheden rond het jubileum beginnen al in oktober; het Mahlerfestival, met negen concerten in de maand mei, is de grandioze afsluiting. Het gehele symfonische oeuvre en de meeste liederen van Mahler worden uitgevoerd - door één orkest en één dirigent. Onder de vele buitenlandse gasten bevinden zich Alma Mahler, Arnold Schönberg en de (kritische) Oostenrijkse schrijver Robert Musil. Het Concertgebouworkest is voor de gelegenheid versterkt met onder meer de violisten Oscar Back en Adolf Busch. Willem Mengelberg krijgt een groots opgezet 'Gedenkboek' en de gemeente Amsterdam benoemt hem tot ereburger. De Mahler-traditie wordt hierna in Amsterdam voortgezet door beroemde dirigenten zoals Bruno Walter en Otto Klemperer, en na de Tweede Wereldoorlog door Bernard Haitink.

1921 - 1930

Mengelberg verblijft, van 1921 tot 1930, bijna de helft van het concertseizoen in New York. Hij is dan verbonden aan het orkest dat na enkele fusies de New York Philharmonic heet (vanaf 1927 samen met Arturo Toscanini). In oktober 1922 reist Mengelberg met het Concertgebouworkest naar Hamburg en Berlijn. Het is de eerste buitenlandse tournee sinds 1913. Vanaf 1925 volgen concerten in Italië, België, Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Engeland. Mengelberg dirigeert in 1926 'El retablo de Maese Pedro', een korte marionetten-opera van Manuel de Falla. Regisseur is Luis Buñuel, die later beroemd wordt als maker van surrealistische films. In de Verenigde Staten ontvangt Mengelberg in 1928 een eredoctoraat van Columbia University. Vanwege de financiële crisis na de beurscrisis van 1929 biedt hij het bestuur van het Concertgebouworkest aan zijn honorarium met twintig procent te korten.

1933 - 1939

Willem Mengelberg zegt zijn huis in Amsterdam op en vestigt zich in het door hemzelf ontworpen chalet 'Chasa Mengelberg' in Zwitserland. Vanaf nu logeert hij tenminste drie maanden per jaar in het Amstel Hotel in Amsterdam. De Rijksuniversiteit Utrecht benoemt hem in 1934 tot hoogleraar in de musicologie en koningin Wilhelmina onderscheidt hem met de benoeming tot Grootofficier in de Orde van Oranje Nassau. In 1935 is er opnieuw een Nederlands Muziekfeest, ter viering van zijn veertigjarig dirigentschap bij het Concertgebouworkest. Voor het veertigjarig regeringsjubileum van de koningin in 1938 componeert Mengelberg een cantate.

1940 - 1951

Hoewel hij zich als dirigent altijd a-politiek heeft willen opstellen staat Mengelberg al sinds de jaren '30 bekend als pro-Duits. Berichten over een interview in een Duitse krant in mei 1940, waarin hij zich positief zou hebben uitgelaten over de Duitse bezetting, doet zijn reputatie grote schade. Mengelberg blijft tijdens de oorlog dirigeren, in Nederland en ook als gastdirigent in Duitsland en de door Duitsland bezette gebieden. Ook laat hij het toe dat de Duitse propaganda hem voor haar doelstellingen gebruikt. Dit schokt het Nederlandse muziekpubliek. Daar staat tegenover dat Mengelberg de nazi-ideologie nooit actief ondersteund heeft. In 1941 dirigeert hij, ondanks protesten van de bezetters, 'joodse muziek' (Gustav Mahlers 'Eerste Symfonie'). Op 11 oktober 1943 overlijdt Mengelbergs vrouw. Het laatste concert onder zijn leiding vindt plaats in Parijs in 1944. Het orkest speelt de 'Negende Symfonie' van Beethoven. Na de bevrijding veroordeelt een Ereraad voor de muziek, bestaande uit 'smetvrij' geachte musici en hoogleraren, hem tot levenslange uitsluiting van het concertpodium. Mengelberg wordt niet gehoord, advocaten zijn niet toegestaan en beroep is niet mogelijk. In 1947 spreekt de, nu juridisch opererende, Centrale Ereraad Mengelberg vrij van nazi-sympathieën en van collaboratie. Zijn uitsluiting wordt beperkt tot een periode van zes jaar vanaf mei 1945. Kort voor het verstrijken van deze termijn overlijdt Willem Mengelberg op 22 maart 1951 in zijn chalet in Zwitserland.